De Wilde Jacht, een nachtelijk spookleger
In de Drentse en omliggende volksverhalen hoor je soms over een woeste, stormachtige nacht waarin een enorme stoet jagers en hun honden langs komt razen door de lucht. Deze groep jagers wordt niet geleid door levende mensen, maar volgens de oude legendes door een geestenleger, doden die voor eeuwig moeten jagen

In deze mythe:
- De jacht trekt voort in de donkerste nachten, vooral rond midwinter of rond Kerst, als de dagen het kortst zijn.
- Er klinkt gekletter, hondengeblaf en geroep alsof er een wilde, razende stoet door de lucht raast.
- Soms wordt de aanvoerder gezien als een God, zoals Wodan of Odin uit de Germaanse mythologie, met zijn achtbenige paard en zwarte honden.
- Getuigen die de Jacht horen of zien, geloven dat wie het waagt om de nacht te verlaten tijdens het voorbijgaan, meegenomen of vervloekt kan worden.
Ter plekke kon men zulke nachtelijke stormen en geluiden (het onweer, het huilen van honden of wolven in de verte) toeschrijven aan de Wilde Jacht: een nachtelijk fenomeen waarin de wereld van de levenden even doorspekt lijkt met dat van de doden.
Varianten en lokale namen
In Nederland kent deze mythe diverse namen en varianten:
- De Hellejacht
- De Wilde Jacht
- De Wilde Heer
- De Jacht van Wodan (oudere, heidense laag)
- De jacht van Derk met zijn beer en honden (een Drentse vertelling waarin een boer voor eeuwig in de nacht jaagt na een vloek) /Hackelberg /Herla (christelijker ingekleurde varianten)
In Drenthe, Twente en de Veluwe zei men:
“As ’t jaagt in de lucht, mut je binnen blieven.”
Verhaal
De Wilde Nacht verteld door de Heks van Exloo
In het dorp voelde men het al in de late middaguren toen de zon begon te zakken en de schemer zich al liet zien. De wilde jacht stond klaar om uit rijden te gaan.
De wind waaide hard uit het noorden en trok laag over het land. Hij joeg langs de boerderijen en door de bomen, het geluid bracht onrust en angst.
Alsof er meer meewaaide dan alleen de lucht zelf.
De mensen sloten ramen en deuren. Het vee werd vroeg op stal gezet. Honden werden binnengehaald, want die begonnen te huilen of kropen weg onder de tafel.
Later op de avond begon men het te horen.
Eerst ver weg:
een dreunend geluid van paardenhoeven die over harde grond joegen.
Daarna kwamen er stemmen bij, geroep dat niet duidelijk was, en het geblaf van honden dat door merg en been ging.
Het klonk alsof het door de lucht trok, boven het veld, langs het bos, over het veen.
Men zei dat dit de Wilde Jacht was.
Een stoet jagers die geen rust kende. Doden die bleven jagen omdat ze met geweld uit het leven gerukt waren. Met honden die hen volgden en paarden die nooit moe werden.
Wie zich buiten het huis waagde als de jacht voorbijtrok, kon worden meegenomen.
En dat wilde niemand riskeren.
Er waren mensen die beweerden iets gezien te hebben.
Schaduwen die sneller gingen dan de wind.
Honden met oplichtende ogen.
Een ruiter die niet leek te kijken, maar toch alles zag.
In het dorp bleef het stil. Geen licht op straat. Geen deur die openging. Men hield zich gedeisd tot de nacht voorbij was.
Tegen de ochtend trok de storm weg. De lucht werd helder en koud. Het land lag er weer gewoon bij, alsof er niets was gebeurd.
Maar soms lagen er afdrukken op het zandpad die niemand kon plaatsen.
En sommige dieren bleven die dag angstig en onrustig.
Sindsdien zeggen de mensen hier:
Als de wind klinkt alsof hij jaagt, blijf dan binnen en doe je deuren en ramen op slot.
“As ’t jaagt in de lucht, mut je binnen blieven.”
***
De Wilde Jacht in Nederland (oude overlevering)
Wat men er algemeen over vertelde
In Nederlandse volksverhalen is de Wilde Jacht:
- een nachtelijke stoet van ruiters, honden en soms karren
- bestaande uit zielen van mensen die onfortuinlijk gestorven zijn
(verdwaald, verdronken, gesneuveld, gestorven zonder rust) - zichtbaar of hoorbaar tijdens stormachtige nachten, vooral in herfst en winter
- iets wat je niet mocht bekijken of volgen
Wie buiten kwam, kon:
- worden meegesleurd
- ziek worden
- of later zelf deel worden van de stoet

Afbeelding getekend is van: Door Onbekend – Otto von Reinsberg-Düringsfeld:
Das festliche Jahr in Sitten, Gebräuchen und Festen der germanischen Völker.
Spamer, Leipzig 1863. Bayerische Staatsbibliothek München, Signatur: Germ.g. 390 w; http://www.mdz-nbn-resolving.de/urn/resolver.pl?urn=urn:nbn:de:bvb:12-bsb10016939-6, Publiek domein
